Nieuwsitem

Op de werkvloer in het bijzijn van collega’s iemands broek naar beneden trekken: een grap of ongewenst gedrag?

Wat is er aan de hand?

Werknemer is sinds 2018 als productiewerknemer werkzaam voor werkgever. Op 7 september 2022 is werknemer tijdens werktijd en tijdens het productieproces achter een vrouwelijke collega gaan staan en heeft in het bijzijn van collega’s haar korte broek naar beneden getrokken waardoor zij met blote billen op de werkvloer is komen te staan. Direct na dit incident heeft werknemer zijn excuses aan de collega aangeboden. Werknemer is vervolgens met onmiddellijke ingang geschorst. Na een gesprek waarin werknemer nogmaals zijn excuses heeft aangeboden op staande voet ontslagen. Werknemer vecht dit ontslag bij de kantonrechter aan, omdat hij van mening is dat er geen dringende reden aanwezig was. De kantonrechter stelt hem in het ongelijk. Voor werknemer aanleiding om in hoger beroep de beslissing van de kantonrechter te vernietigen.

Volgens werknemer was het een grap

Werknemer stelt zich op het standpunt dat het binnen de onderneming niet ongebruikelijk is dat, om de sfeer op de werkvloek erin te houden, zo nu en dan grappen worden gemaakt c.q. uitgehaald tussen collega’s onderling.

Hetgeen is voorgevallen op woensdag 7 september 2022 is volgens hem niet meer dan een ‘onverstandige’ grap geweest  en zijn collega’s samen, waarbij hij uiteindelijk op ‘pushen’ van zijn collega’s degene is geweest die de grap (de handeling) heeft uitgevoerd.

Hij betwist uitdrukkelijk dat de grap is uitgehaald met de intentie om bij betrokken collega dan wel andere collega’s een gevoel van onveiligheid en onberekenbaarheid te doen ontstaan en/of grensoverschrijdend te handelen, het was een grapje en meer ook niet.

In dit verband betwist werknemer dat bij de vrouwelijke collega een gevoel van onveiligheid en onberekenbaarheid is ontslaan als gevolg van de grap. Betrokkene gaf direct na de grap juist blijk van de humor van de gemaakte grap wel in te zien, vooral ook omdat zij zelf ook regelmatig behoorlijke grappen heeft uitgehaald richting haar collega’s, ook richting cliënt.

Wat is het oordeel van het Gerechtshof Den Bosch?

Het hof  is van mening dat werknemer in zijn reactie niet terugkomt op dat wat in de ontslagbrief van werkgever is vastgelegd over de gedraging die heeft geleid tot het ontslag op staande voet. Enkel zijn er een paar stellingen aan toegevoegd, namelijk dat collega’s van hem zouden hebben gepusht, dat betrokken collega de grap ervan wel had ingezien en dat er op de werkvloer soms flinke grappen worden gemaakt, ook door betrokken collega.

Het hof verwijst ook naar het geldende bedrijfsreglement en is van oordeel dat werkgever aan de hand van dit reglement heeft onderbouwd welke normen en waarden op de werkvloer in acht moeten worden genomen.

Hoewel werknemer tijdens de zitting in hoger beroep heeft betoogd dat niet duidelijk is aangegeven wat onder “ongewenst gedrag” moet worden verstaan, oordeelt het hof dat de gedraging waaraan werknemer zich schuldig heeft gemaakt, zonder meer moet worden gekwalificeerd als ongewenst gedrag.

Het hof baseert dit op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin het reglement is gesteld en voor de werknemers duidelijk is dat het niet is toegestaan om tijdens het werk op de werkvloer een broek van een collega naar beneden te trekken, waardoor deze in haar blote billen komt te staan. Het hof is tevens van oordeel dat het niet relevant is hoe de betrokken vrouwelijke collega op de gedraging heeft gereageerd. Het gaat erom dat hier sprake is van ongewenst gedrag, gedrag dat de werkgever niet toestaat, hetgeen zij ook in haar arbobeleid kenbaar heeft gemaakt.

Werknemer is van oordeel dat er op de werkvloer regelmatig “ruwe grappen” worden gemaakt om de sfeer erin te houden. Voorbeelden daarvan zijn: het in zijn kruis grijpen en het meerdere keren naar beneden trekken van een broek. Hij biedt daarvan ook bewijs aan.

Het hof stelt vast dat werknemer onvoldoende onderbouwd gesteld heeft dat er op de werkvloer bij de werkgever een cultuur heerste waarbij regelmatig gedragingen voorkwamen zoals die hierboven zijn genoemd. Er is dan ook geen sprake van een bepaalde cultuur op de werkvloer. Het hof passeert om deze reden ook het op dit punt gedane bewijsaanbod, nu dit feitelijk onvoldoende is onderbouwd.

Willekeur

De werknemer heeft vervolgens gesteld dat twee maanden voor het incident met de vrouwelijke collega, zij dezelfde handeling jegens hem heeft uitgehaald en dat de leidinggevenden hiervan afwisten en er zelfs bij aanwezig waren. Het hof vult deze stelling aldus aan dat de werkgever kennelijk niet heeft ingegrepen en dat zij de vrouwelijke collega niet op staande voet heeft ontslagen.

Het hof is van oordeel dat de door de werknemer ingenomen stelling een omstandigheid kan zijn die, indien bewezen, bij de beoordeling van het gegeven ontslag een rol kan spelen. Dit zou immers kunnen betekenen dat de werkgever de ene werknemer om exact dezelfde gedraging en uitgevoerd onder vergelijkbare omstandigheden niet op staande voet ontslaat en de andere wel.

De werknemer krijgt alsnog een kans door te bewijzen de teamleider dus op de hoogte is geweest van de gestelde overtreding van de normen door de vrouwelijke collega. Is dat het geval dan komt het niet melden van deze overtreding aan de leidinggevende voor rekening en risico van de werkgever. De werknemer krijgt een bewijsopdracht en er gaan getuigen worden gehoord.

Wordt vervolgd.

Bron:

ECLI:NL:GHSHE:2023:3906, Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, 200.327.213_01 (rechtspraak.nl)